Column: De ooievaars van Frankendael
14.04.11 22:10
Categorie: Column, Alg. Seizoen 10/11
Door: Hoofdredacteur Herman Boeker
Natuurlijk kreeg ik als kleine jongen in de jaren Vijftig als antwoord op mijn vraag ‘Waar komen baby’s vandaan?’: van de ooievaar.
Ik ben geboren en getogen op de Orteliuskade, die destijds de Westelijke grens van de stad vormde. Voor ons lagen tuinderijen, een boerderij van de vader van Dirk van den Broek, de Dirk, daarachter lag de Dijk, een dijklichaam bestemd voor een ringspoorbaan rond Amsterdam, stammend van de werkgelegen-heidsprojecten uit de jaren Dertig, en daar weer achter talloze weiden. Staande op de Dijk kon je de Sint Bavo in Haarlem zien, soms zelfs de Hoogovens, en ook wel Schiphol, maar een ooievaar had ik nog nooit gezien, dus wantrouwde ik het antwoord van mijn moeder, zeker gezien de talloze kinderen, de geboortegolvers, die onze buurt bevolkten.
Bij een bezoek aan Artis zag ik het eerste levende exemplaar, dat voor mij meteen door de mand viel als zijnde de brenger van baby’s: fysiek onmogelijk! In het voorjaar van 2002 was het zo ver: een ooievaarpaartje ging zich nestelen op de oude schoorsteenpijp van Van Vliet in Frankendael.
Ik vond het ook wel tijd om opa te worden, dus wandelde ik enkele keren met mijn oudste dochter en mijn schoondochter, die beiden in de buurt wonen, langs de ooievaars. Mijn jongste dochter zat nog midden in haar studie en die liet ik wijselijk thuis. Begin juni kwam mijn oudste dochter luid bonkend ons huis binnen en riep meteen om haar moeder: ‘Mam, kijk eens, klopt het?’ en ze toonde de kleuren van de predictor. Mijn vrouw beaamde dat, gejuich in het huis, een fles namaakchampagne werd geopend.
Maar wij mochten het niemand anders vertellen! Drie weken later kwamen met een smoes mijn oudste zoon en zijn vrouw even langs. Toevallig was mijn oudste dochter ook bij ons. Na wat familiair gekeuvel zei hij plots:’Maar wij moeten jullie nog iets vertellen: jullie worden opa en oma.’ Wederom een feeststemming op de Hogeweg en om die te verhogen zei mijn dochter: ‘Ik moet jullie ook iets vertellen: jullie worden oom en tante.
"Vanaf 2003 hebben onze oudste twee ons zeven kleinkinderen geschonken (van wie er inmiddels twee bij GeuzenMiddenmeer voetballen, net als hun vaders), of moet ik toch zeggen: dat was de ooievaar, zoals mijn moeder mij had voorgespiegeld?" Sinds ik vorig jaar augustus met prepensioen ben gegaan, loop ik dikwijls langs de ooievaars. Vorig jaar had het paartje zichzelf verrijkt met een drieling. Om de drukte in het nest te ontlopen, zag ik vaak enkele van hen op de schoorsteenpijp van De Kas zitten, zeer begrijpelijk.
Deze winter zag ik er nog wel steeds twee, maar of die van het zelfde nest waren of wintergasten, weet ik niet. Op een zonnige dag in maart rookte ik mijn sigaretje op het bankje bij het nest. Er onder speelden zo’n twintig kleuters van de kinderopvang, die niet door hadden dat boven hun hoofd er een heuse paring bezig was: ooievaars die zelf voor de ooievaar zorgden. Heel stom, dat ik mijn camera was vergeten!
Op de zonnige dagen van de laatste weken zit ik vaak in onze tuin om mijn Zwitserlevengevoel te consumeren. Heel soms denk ik aan mijn voormalige collega’s, die in de benauwde lokalen hun lesstof in de van hormonen borrelende lijven van de voor hen zittende pubers trachten te stoppen, maar liever lees ik de krant, los de puzzel op en verdiep mij in een boek. Regelmatig vliegt het ooievaarspaartje over onze tuinen heen. Neen, vliegen is niet het juiste woord: zij zweven in de thermiek, gebruiken amper hun vleugels, alleen om te sturen. Wat is dat toch een prachtig gezicht! Roofvogels maken op dezelfde wijze gebruik van de thermiek, maar met een ander doel: zij zoeken een prooi. Ooievaars gaan voor het leven.
Op mijn wandeling vandaag merkte ik, dat er twee ooievaars uit het Zuiden zijn teruggekomen. Met zijn vieren op het nest, terwijl er kinderen in aantocht zijn. Ik ben benieuwd hoe zich dat zal gaan ontwikkelen.