-->
ThuisClubHistorieCompetitieJeugdSeniorenLidmaatschap

Een Kerstromance?

21.12.09 20:55
Categorie: Algemeen, Column, Alg. Seizoen 09/10

Door: Herman Boeker

De sneeuw van de afgelopen dagen had de wereld veranderd. De klimaattopconferentie in Kopenhagen was niet eens afgelopen of Europa en Noord-Amerika kregen een dik pak sneeuw als een koude deken over zich heen gespreid. “Deze kou symboliseert het slechte resultaat van die conferentie”, mompelde Frederik voor zich, tegen niemand in het bijzonder. Op straat speelden enkele kinderen in de sneeuw, maakten een sneeuwpop op de fontein van het Hogewegpleintje. Via de Kamerlingh Onneslaan stapte hij linksaf het park Frankendael in. Op de grote weide waren veel kinderen met hun ouders bezig sneeuwpoppen te maken, hij telde er zeker tien, die er al stonden, met sprekende gezichten. Hij liep rond het grasveld en maakte een van de bankjes een stukje sneeuwvrij en ging zitten. Van rechts zag hij een klein, Marokkaans opaatje, met wandelstok, lang gewaad en witte muts, door de sneeuw lopen alsof het zijn eerste keer was dit natuurverschijnsel te zien. Zijn dochter en kleindochters bekogelden elkaar met sneeuwballen, niet hard, maar stoeiend. Ook opa deed mee en lachte luid als een van zijn kleindochters hem raakte.

“Ha, die Frederik”, zei een stem. Hij keek op en zag Astrid staan. “Hoi, Astrid, kom je zitten, dan maak ik nog een stukje bank sneeuwvrij”. En hij voegde daad bij woord.“Wat een leuk gezicht, hè, al die ouders met kinderen, die maar sneeuwpoppen aan het rollen zijn”. “Deden wij vroeger toch ook, toen wij nog jong waren”, repliceerde Astrid.“Wij zijn nog steeds hartstikke jong”, zei Frederik bestraffend. “Maar ik geef toe, ik heb geen zin meer om sneeuwpoppen te maken, krijg ik veel te koude handen van”. “Weet jij nog die winter, op het Galli, dat je met het fietsje van je broertje het ijs op ging. Je wilde mij showen, dat je niet bang was”. Frederik grinnikte bij de gedachte. “Ja, nu kan ik erom lachen, maar toen niet. Ik zakte door het ijs, wist de kant te halen, maar het fietsje bleef in het water achter. Jarenlang kreeg ik van mijn vader te horen, als wij daarlangs fietsten op weg naar het voetballen, ‘Het was zo’n mooi fietsje, zonde’”.

Astrid ging wat dichter tegen hem aanzitten, wat hij niet onprettig vond. “Hierachter, op die slootjes, heb ik voor het eerst geschaatst”, zei zij. “Van mijn nichtje had ik echte kunstschaatsjes gehad. En maar vallen, opstaan, vallen. Mijn moeder werd er tureluurs van. Ikzelf ook, ik was jaloers op die andere meisjes, die als danseresjes over het ijs gingen. Ik heb daarna nooit meer geschaatst”. “Toen ik twaalf was, ging ik met mijn oudste broer schaatsen op de Jaap Eden. Mijn broer was zeer fanatiek, maar elke keer datzelfde rondje rijden verveelde mij snel.”

Astrid stak haar arm door die van Frederik en pakte zijn hand vast. Zij zwegen een tijdje, lieten de nieuwe situatie op zich inwerken. “Wat doe jij komende week met de Kerst?” vroeg hij. “Ach, hetzelfde als vorig jaar, en het jaar daarvoor,” verzuchtte zij. “Een kerstboom met cadeautjes eronder, familie die komt eten, kalkoen, veel drank en weinig lol, tenminste, zo ervaar ik dat. Niemand vraagt mij, wat ik leuk vind met Kerstmis. Ik heb gewoon wel eens zin om op kerstavond de trein naar Verweggistan te nemen, of een vliegtuig, zoals dat zeilmeisje Laura, naar St. Maarten”. “Wat ik niet snap, dat zij 3500 euro kan pinnen”, zei Frederik.“Toen ik veertien was, had ik misschien duizend euro op mijn spaarrekening en kon dat niet zelf opnemen, want dat moest dan een van mijn ouders doen,” sprak Astrid verontwaardigd uit. “Maar 3500 euro kan je niet eens in een keer pinnen”, vervolgde hij. “Ik zou hooguit in een keer 1000 euro kunnen pinnen. Dus..” “Het blijft een vreemde geschiedenis”, onderbrak zij hem.

Ze gingen nog iets dichter bij elkaar zitten om het minder koud te hebben. Er waren al weer enkele nieuwe sneeuwpoppen gemaakt. “En wat doe jij met de Kerst?” vroeg Astrid, terwijl zij zachtjes in zijn hand kneep.. “Ach, ik weet het niet, ik laat het over mij heen komen. Ik zou wel met je mee willen, deze dagen ontvluchten. Even geen familie, geen school, geen verplichtingen”.“Misschien doen wij dat ooit eens,” fluisterde zij. “Maar ik moet nu gaan, anders weten ze niet, waar ik blijf”. “Fijne Kerst en hou je taai.” “Jij ook, en kom hier”. Astrid gaf hem twee dikke kussen op elke wang, die hij gretig beantwoordde. Hij bleef nog even zitten, zij zwaaide toen zij de hoek omging.

Thuisgekomen draaide hij de thermostaat op 22, want zijn lichaam was koud geworden. Toch stond er een stralende lach op zijn gezicht. Elk jaar even samenzijn met zijn jeugdliefde gaf hem, maar ook haar, de kick om elkaar over de Kerst heen te tillen en het nieuwe jaar in te gaan. Hij keek naar de foto’s op het dressoir, van zijn vrouw, kinderen en kleinkinderen.

Amsterdam-Watergraafsmeer, 21 december 2009

Elsa’s Café
Primera
Ton Hagedoorn