-->
ThuisClubHistorieCompetitieJeugdSeniorenLidmaatschap

HET GROTE SINT NICOLAAS INTERVIEW

01.12.10 17:49
Categorie: Column, Alg. Seizoen 10/11, Jeugd Seizoen 10/11

Door: Herman Boeker

een verhaal voor iedereen behalve de kleintjes

                        HET GROTE SINT NICOLAAS INTERVIEW

                       

Vanmorgen kreeg ik een opmerkelijk telefoontje van een man, die verklaarde Sint Nicolaas te zijn. Hij gaf aan, dat hij mij in mijn functie van hoofdredacteur van het GM-Web graag wilde ontmoeten. Ik dacht eerst aan een 1 aprilgrap, maar het was al 1 december.

“Als u Sint Nicolaas bent, waarom wilt u dan per se mij ontmoeten?” vroeg ik hem.

“Dat vertel ik u wel, als wij elkaar zullen zien,” antwoordde hij.

 Wij spraken af over een half uur in een café aan het Olympiaplein. Ik moest mij echt haasten, want het was nog een stuk fietsen en het was glad op de wegen. Onderweg zei ik steeds in mijzelf: Dit is een grap, dit is een heel koude grap.

 

Het was stil in het café, buiten de barkeeper was er niemand. Toen ik hem verklaarde, dat ik hier met iemand had afgesproken, wees hij naar achteren, waar een kleine, afgesloten ruimte was. Daar zat een man, ouder dan ik, die leek op de onlangs overleden acteur Leslie Nielson, met hetzelfde witte haar, maar verder zag hij er absoluut niet uit, zoals wij Sint Nicolaas altijd zien, hij had geen baard of snor. Hij droeg een lichtgrijs pak, met vest, eerder een yuppenpak dan een Sinterklaaspak. Alleen aan de boord van zijn overhemd zag ik het teken van een geestelijke: het witte boordje in plaats van een stropdas. Hij knikte mij vriendelijk toe en stond op om mij een hand te geven, gewoon zijn hand, zonder dat ik zijn bisschopsring hoefde te kussen. Hij droeg trouwens helemaal geen ring.

“Gaat u zitten, alstublieft, en kom weer op temperatuur”, zei hij mij. “Ik kom graag in dit café als ik in Amsterdam ben, uitstekende koffie en deze heerlijk stille kamer. U krijgt zo een koffie met een cognacje, daar zult u wel zin in hebben.”

De vriendelijkheid straalde van hem af. Ik deed mijn handschoenen en overjas uit. De ober bracht ons koffie met cognac. De kou had mijn lichaam nog niet verlaten.

“Warm eerst maar lekker op, dan zal ik u vertellen, waarom ik u heb uitgenodigd.”

Ik nipte aan de cognac, die van uitstekende kwaliteit was.

“Zelf rook ik niet”, zei de geestelijke, “maar dat hoeft u er niet te van weerhouden een sigaret op te steken. Hier mag het.” Hij schoof mij een asbak toe.

“Tja, ik wil eens een keer mijn verhaal kwijt. Natuurlijk kan ik de Telegraaf of de Volkskrant bellen, maar daar gelooft natuurlijk niemand dat ik de Sint ben. Dus dacht ik: als mijn verhaal nu op het web van uw voetbalclub komt te staan, dan wordt het door heel veel slimme mensen gelezen en doorverteld. Net als een inktvlek zal het zich uitspreiden over het mooie Nederland.”

De kou had mijn lichaam verlaten door toedoen van de koffie en de cognac. Ik stak een sigaret op en vroeg: “Als het waar is, dat u bent, die u zegt te zijn, hoe wilt u dat ik u aanspreek?”

“Daar heeft u een punt, waar ik over nagedacht heb. Al heel lang ben ik als bisschop met pensioen. Net als u ben ik een pensionado. In Spanje word ik aangesproken als monseigneur, op zijn Frans. Om elkaar nu meteen te tutoyeren vind ik nog te vroeg in onze relatie. Noemt u mij gewoon Sint, o.k.?”

Ik knikte en bekeek hem nog eens goed, terwijl hij zijn koffie dronk. Volgens de overleveringen moest onze Sint honderden jaren oud zijn, maar zijn handen en zijn gezicht verraadden dat niet.

“U mag mij van alles vragen en op de meeste vragen zal ik antwoord geven, maar niet op alle. Nog een kopje koffie?”

De barkeeper kwam binnen met twee dampende kopjes koffie. Ik waagde mij aan mijn eerste vraag: “Sint, waarom wilt u uw verhaal kwijt?”

“Dat komt eigenlijk door die vreselijke film van Dick Maas, waarin ik als een kindermoordenaar tentoon word gesteld. Ik kan veel hebben, ik kan echt tegen alle Sint-grappen, zo van ‘Daar hoog in de bergen, daar woont Sinterklaas, hij smeert zijn billen in met pindakaas’, voor mij geen probleem. De katholieke kerk deed van oudsher mee aan grappen en grollen, denk aan het carnaval, de ommegangsdag en wat dies meer zij. Maar horror, ho maar!”

De Sint was zichtbaar opgewonden, haalde diep adem en vervolgde op neutrale toon: “Maar ook al die verhaaltjes die over mij verteld worden, daar moet eens een einde aan komen. Wij leven in 2010 en niet meer in de middeleeuwen. Voor de kinderen mogen die verhaaltjes best nog verteld worden, daar niet van, als er door de volwassenen maar goed bijgezegd wordt, dat het verhaaltjes zijn! Met de stoomboot uit Spanje! Logisch als een kind in groep 5 of 6 gaat nadenken, als die aardrijkskunde krijgt: hoe komt die Sint in dat kleine bootje van Madrid naar de Amstel? Vanuit Madrid zijn er helemaal geen waterwegen naar Nederland. Dat zijn verhaaltjes.”

“Maar hoe komt u dan naar Amsterdam?” vroeg ik.

“Hoe ik vroeger hier kwam, daar vertel ik niet over, maar tegenwoordig kom ik gewoon met de TGV, prima verbinding trouwens. Voorts woon ik al heel lang niet meer in Madrid, mij te druk. Met nog een paar gepensioneerde bisschoppen hebben wij een fantastische villa in het uiterste zuiden van Spanje. Waar dat is, zeg ik niet, dan heb ik straks al die Hollanders voor mijn deur.”

 

De Sint bestelde nog een cognac voor ons beiden en ik een portie bitterballen.

“U spreekt heel goed Nederlands”, waagde ik op te merken, want ik kwam toch meer en meer onder de indruk van deze man.

“Natuurlijk! Het zal toch voor die kleintjes vreemd klinken als ik ze in het Spaans zal toespreken? Maar ik kom al zo lang in dit land en ik heb ooit een cursus gevolgd, via Linguaphone.”

“Waarom komt u speciaal naar Nederland, naar Amsterdam?” was mijn volgende vraag.

De Sint ging met zijn glaasje achterover zitten. “Ach, mijn voorliefde stamt al vanaf de dertiende eeuw, toen Amsterdam mij, Sint Nicolaas, als beschermheilige benoemde. Daar was ik zeer mee vereerd, zeker toen later Amsterdam in de Gouden Eeuw de heerser werd over alle wereldzeeën. In eerste instantie richtte ik mij op deze stad, later, toen Amsterdam de hoofdstad werd, hebben wij heel Nederland in ons programma opgenomen.”

 

Een man kwam onze ruimte binnen en zei: “Sint, wij hebben ons doel bereikt: 90% van de chocolade komt van de groene boeren binnen. Komt u niet over te lange tijd, wij hebben nog wat vraagjes.”

“Het is goed Willemse, wij komen zo”, antwoordde de Sint.

“Waar verblijft u nu dan?” vroeg ik.

“Toen de heer Heineken, Freddy Heineken bedoel ik, nog leefde, mocht ik enkele weken zijn appartement aan het Weteringsplantsoen gebruiken. Nu zit ik in het appartement van een andere Nederlander met een gouden hart, hier op de Stadionkade. Wij gaan er zo naar toe.”

 

De Sint was mij voor bij het afrekenen. Hij haalde een opvallende creditkaart te voorschijn, waarop een mijter met een rood kruis stond afgebeeld. “Een geintje”, verklapte hij mij.

Buiten was het nog zeer koud en glad. Mijn fiets had ik bij het café laten staan. Toen het erg glibberig werd, haakte de Sint in mijn arm. “Als we vallen, dan vallen wij samen.”

Met een liftje kwamen wij op de tweede verdieping aan van het zeer grote appartement. In twee kamers zag ik enkele personen koortsachtig achter hun computer werken. In de mooi ingerichte woonkamer namen wij plaats in bruinleren fauteuils.

“Ik zal u nu wat vertellen over de logistiek van vroeger en nu. Vroeger was de organisatie echt een ramp, een geluk dat niemand dat te weten is gekomen, anders was er nooit meer een Sint Nicolaasfeest gehouden. Allereerst was het moeilijk om aan geldschieters te komen, want denk maar niet, dat ik zo rijk ben, neen, wij zijn afhankelijk van mensen die ons sponsoren. Dus deur aan deur collectes, de rijke Nederlanders aanschrijven, loterijen opzetten, enzovoort. Meestal lukte het ons een behoorlijk bedrag binnen te krijgen. Maar dan de inkoop: wij beschikten gelukkig over veel vrijwilligers en ook betaalde krachten. Voor jullie noemden wij die ‘Pieten’, maar ze hadden net zo goed ‘Jannen’ geheten kunnen hebben. Die Pieten liepen de hele stad en het hele land af om de cadeautjes in te kopen, dan mee te nemen naar een grote hangar op Schiphol en tenslotte alles in te pakken. Wow, wat een werk was dat toen. En het probleem, dat wij niet van iedereen wisten, wat op hun verlanglijstje stond. Niet iedereen stuurde dat op naar mij. Dus moesten wij wel eens wat gokken. En op 5 december alle pakketten op de juiste adressen bezorgd te krijgen, dat was zeer spannend, toen.”

Het woordje ‘toen’ sprak de Sint met nadruk uit.

“In de middeleeuwen was het Sint Nicolaasfeest eigenlijk niet zo aangenaam. De huisjes waren klein, hooguit 1 verdieping. Voor onze hulpen was het niet moeilijk de presentjes door de schoorstenen te werpen. Maar daar zat wel een probleem bij: het vuur beneden moest wel uit zijn, anders verbrandden onze geschenken. Het was december, koud, het vuur was uit, en dan zag je echt zo’n gezin verkleumd van de kou om de schoorsteen zitten. Natuurlijk waren ze blij met de cadeautjes, maar voordat die werden uitgepakt, werd eerst het vuur weer aangestoken. Neen, tegenwoordig gaat het echt een stuk beter! Mensen die altijd maar zeuren over vroeger dit en vroeger dat. Bah.”

 

Wij werden gestoord door enkele medewerkers die zachtjes in het oor van de Sint wat fluisterden, waarop hij soms Ja of Nee zei. De medewerkers waren gewoon gekleed, niet in de als ons bekende kledingsnorm van de Pieten.

 

Voordat ik iets kon zeggen, vervolgde de Sint: “Tegenwoordig is het zo gemakkelijk voor ons gemaakt: de grote loterijen, zoals de Lotto, de Staatsloterij, de Postcodeloterij en de Grote Clubactie, allerlei fondsen, grote maatschappijen, rijke Nederlanders en de regering geven onze organisatie geld, oftewel: zij sponsoren ons. Via Google Earth kunnen wij in elke huiskamer binnendringen om daar de verlanglijstjes te lezen. Uit elk lijstje maken wij een selectie en dan gaan onze internetspecialisten, die u hier bezig ziet, aan de gang. Die bestellen bij alle grote winkelketens, zoals de Bijenkorf, de Hema, Albert Heijn, V en D, de Vomar, enz en inkoopgroothandels zoals de Macro, de Hanos, Deen, Bolpuntcom, de ECI, enz de geschenken. Die worden daar voor ons ingepakt en op het moment dat een gezin of familie of vriendenkring mijn verjaardag viert, worden die door speciale pakketvervoerders bij de adressen afgeleverd. En betalen doen wij met internetbankieren.”

Ik was perplex. “En de gedichtjes dan?” opperde ik.

“Oh, wij hebben een dossier met duizenden gedichtjes, soms wordt er alleen een naam of plaats gewijzigd, dat is voorgeprogrammeerd, daar hebben wij geen omkijken meer naar.” De Sint stond op en keek tevreden naar buiten.

“En hoe zit het met al die Sinterklazen en Zwarte Pieten in het hele land?” stelde ik maar weer eens aan de orde, want als kind had ik dat nooit begrepen.

“Dat zijn allemaal vrijwilligers, beste man, mannen en vrouwen die er het hele jaar van dromen om even mij te zijn of een van mijn helpers. Zij doen dat met overgave. Zij houden mij als legende in stand, mooi toch? Hoef ik zelf niets te doen, niet op te treden, alleen maar te coördineren en van Amsterdam te genieten. Ik was bijvoorbeeld zondag nog te gast bij de opening van het De La Martheater, natuurlijk had ik dit pak aan. De koningin loopt toch ook niet in haar hermelijnen mantel en met haar kroontje op?”

Ik ging nu weer twijfelen aan zijn identiteit: werd ik nu, samen met alle GeuzenMiddenmeerders in het ootje genomen, of was die man echt de Sint? Ik moest meer zekerheid hebben.

“Weet u bijvoorbeeld wat mijn vrouw op haar verlanglijstje heeft geschreven?” vroeg ik aarzelend. Ik wist dat wel.

Hij nam me mee naar een van de kamers waar zijn medewerkers druk aan het internetten waren.

“Willemse, wil jij even zoeken, wat mevrouw Boeker op haar lijstje heeft staan?”

De man tikte iets in op het scherm en daar verschenen alle dames Boeker, die in Amsterdam woonden en de namen en zelfs de geboortedata klopten. Ik wees mijn mevrouw Boeker aan, Willemse wees naar het scherm, en ja wel, daar verscheen haar verlanglijstje, geschreven in haar eigen onmiskenbare handschrift. En het was precies het lijstje, dat zij mij heeft laten zien. Ik was overweldigd en kreeg het zeer benauwd. De Sint zag dat en nam mij mee naar het balkon ondanks de kou. “Het is fantastisch, hè, om op deze manier te kunnen werken. Ik geniet nu echt van mijn pensioen. Natuurlijk helpen ouders en grootouders ons, zeker met dat schoenenzetten gedoe. Wie daar ooit opgekomen is, die krijgt de roe. Onze organisatie bemoeit zich daar niet mee. Echt flauwekul. Die zogenaamde oubollige Sinterklaasliedjes zou ik ook eens graag anders willen hebben, lekkere Sint R & B of een Klaas Rap of Rock Sint Roll. Kom mee, we nemen nog een cognacje.”

 

In onze stoelen met ons glaasje in de hand mijmerde de Sint nog even door: “Tja, mijn ideaal is om zo veel mogelijk mensen gelukkig te maken, maar soms kost het mij moeite om te ontdekken, dat gelukkige mensen zo egoïstisch zijn. Nee, ik bemoei me niet met politiek en dat soort zaken. Aan verlanglijstjes van politici geven wij geen gehoor, die weten hun wensen vaak zelf in vervulling te laten gaan, en anders doen hun medewerkers dat wel.”

“Kom, Sint, niet zo somber. Bijna iedereen in Nederland viert een dezer dagen uw verjaardag. Cheer up.”

 

Bij het afscheid gaf De Sint mij een warme hand en met zijn andere arm sloeg hij mij zachtjes op mijn schouder. Dat deed ik bij hem ook.

“Nicolaas?”

“Ja, Herman?”

“Ik heb wat voor je.”

“Wat dan? Ik heb slechts immateriële wensen, daar kan jij niet aan voldoen.”

Uit mijn binnenzak haalde ik de tekst van een SinterRap, die ik lang geleden gemaakt had. De Sint glunderde.

“Vraag maar aan een van je medewerkers hoe je moet rappen. Doe heel vaak pffpchpfgggpff er tussendoor. Lukt je vast.”

 

Vanaf het balkon zwaaide hij mij en ik hem nog na, totdat ik de hoek omging.

 

 

 

      

 

 

  

 

 

 

 

Elsa’s Café
Primera
Ton Hagedoorn