ThuisClubHistorieCompetitieJeugdSeniorenSponsoringLidmaatschap

Mijn eerste toernooi, 1961

26.03.16 22:12
Categorie: Alg. Seizoen 15/16, Jeugd Seizoen 15/16, Column

Door: Herman Boeker

Mijn eerste toernooi

Arnhem, Pasen 1961

Herman Boeker staand tweede van rechts

Jullie willen graag van mij weten, wat het gekste is, wat ik in mijn leven heb meegemaakt, toch? Tja, ik ben al meer dan 68 jaar aan het leven op deze planeet, en mijn geheugen is niet meer je dat.

Je hebt gelijk, gekke dingen moeten mij zijn bijgebleven. Wat ik erg gaaf vond, is, dat onze klas van de Prinses Juliana Mulo op de laatste schooldag, wij hadden de examens achter de rug en moesten onze leerboeken inleveren, via Karel een bakfiets had gehuurd waarop wij al onze boeken hadden neergelegd. Karel fietste de bakfiets en wij op onze fietsen begeleidden hem, allemaal schreeuwend: “Boeken te Koop.” Wij fietsten door de Kinkerbuurt en dan door naar Nieuw-West, de Jan Tooropstraat, waar onze school stond. Luidkeels fietsten wij het schoolplein op, waar directeur Braam ons ontving. Hij was een directeur van het type Bint; tijdens zijn lessen was er nooit een moment van ontspanning. Hij gaf ons Frans, zeer terdege, de vervoegingen van de werkwoorden ken ik nu nog uit mijn hoofd. Tijdens zijn lessen moest je het niet in je hoofd halen iets te zeggen, zelfs niet te vragen. Hij was de alleenheerser voor de klas en in de school. Toch kon hij op de een of andere manier onze actie goedkeuren, want er verscheen een piepklein glimlachje om zijn mond toen hij ons begroette. Het was de laatste keer dat ik hem zag. Dat was in 1964.

Nee, enkele jaren eerder heb ik echt iets geks meegemaakt, vind ik, op het Paastoernooi in Arnhem. Ik was 13 jaar en speelde in de C2 van mijn toenmalige club, dat was Vlug & Vaardig, V&V, dus niet in De Geuzen. Ik kom uit West, en V&V was de enige club met een protestants signatuur, vandaar. Al een drie jaar speelden wij tegen dezelfde clubs als in een carrousel: Amvj, Csca, Drc, Ndsm, Kmvz, Dvva, Wartburgia, De Geuzen, en wellicht nog enkele clubs meer, die ik vergeten ben. Niet dat wij dat vervelend vonden: wij wisten vaak, van wie wij konden winnen, en van wie niet. Dit jaar deed ons elftal het zeer goed in de competitie. Wij stonden ruim op de eerste plaats. Veel voetbaltoernooien waren er toen nog niet, die kwamen jaren later. Het was verrassend, dat wij van ons bestuur een brief kregen, per post uiteraard, dat de C2 en de C3 uitgenodigd waren om deel te nemen aan een toernooi in Arnhem, met Pasen, een paastoernooi dus. Wij zouden op vrijdag, de Goede, om 16.00 vertrekken, per bus, door de club geregeld. Ons onderkomen was een school, in enkele lokalen zouden er legerbedden komen te staan; enzovoort. Onze tegenstanders waren de Arnhemse club, een club uit Duitsland en een uit Limburg. Voor ons bestuur een reden om V&V op de landelijke kaart te zetten.

Mijn vader was de leider van mijn elftal, maar had er geen zin in om mee te gaan. Onze trainer, meneer Van Ravenzwaai, die wij De Raaf noemden, ging wel mee, net als de leider van de C3 en hun trainer. Mijn broer Bram loste het probleem van de weigering van onze vader op: hij zou meegaan! Hij zat in de laatste klas van de Kweekschool en was verplicht om naast al die weken stagelopen ook een kamp te leiden. V&V ging akkoord, de Kweekschool ook. Mijn tegenwerping was: “Bram, je houdt helemaal niet van voetbal! Je bent nog nooit naar een wedstrijd van mij komen kijken!”. “Dan wordt het nu tijd, dat ik dat wel ga doen! Ik neem mijn fototoestel mee om al je doelpunten op te nemen.” “Neem dan wel genoeg rolletjes mee!” antwoordde ik nors.

Bram had gezegd, dat hij zich alleen als Bram zou gaan voorstellen aan de jongens, zonder achternaam, zodat niemand erachter zou komen, dat wij broers waren en dat ze zouden denken, dat ik wellicht voorgetrokken zou worden. Dat ging wel gebeuren, maar had niemand in de gaten. Op geheime momenten zouden wij elkaar ontmoeten, gewoon als broers.

Het reizen per bus ging in 1961 nog vrij traag: er bestonden amper snelwegen, de meeste wegen waren tweebaans en gingen door talloze dorpjes. Goede Vrijdag, bereikten wij Arnhem om 19.00. Het onderkomen in de school zag er goed uit, het ontvangst was aller hartelijkst. Wij kregen te eten en daarna werd er een film gedraaid in de gymzaal. Zaterdag moesten wij drie wedstrijden spelen, elk 2 maal 30 minuten. Maandagmorgen zou er gespeeld worden voor de prijzen, voor de eerste t/m vierde prijs. Mijn team was, ondanks de reis, in topvorm. Wij wonnen 2 keer en speelden 1 keer gelijk. Ik scoorde tweemaal. “Ik heb je wel zes keer op de foto”, zei Bram mij die avond, “mooie goals, ik ga vanaf nu vaker naar je kijken!”.

Die zaterdagavond gingen wij vrij snel slapen, want doodmoe, ondanks dat wij pubers waren. Op de zondag werd er niet gespeeld, tenminste wij niet, want van protestantse huize. Maandag zouden wij tegen de Limburgers spelen om de eerste plaats. Bram en De Raaf hadden een mooi programma voor de zondag in elkaar gezet: bezoek aan het Openluchtmuseum, een wandeling door het centrum, een ijsje hier, een patatje daar, wat wij zeker thuis niet mochten zeggen, want zondag: dan mocht je niets kopen van de protestanten. Gek, er werd wel verkocht! Om een uur of tien gingen wij naar bed, maar ondanks de interessante en inspannende dag kon niemand de slaap vatten. Er werd gefluisterd, gemompeld, en zelfs wat geruzied, totdat Fritzie, onze aanvoerder sliste: “Stil, stil, ik weet wat. Luister!”.

Het was een aangename avond, niet echt koud. Fritzie had eerst gecontroleerd hoe het met onze begeleiders stond: nou, die zaten  in de lerarenkamer aan het bier en de wijn, hadden het prima naar hun zin. In onze pyjama's, allemaal met verticale strepen, jasje en broek, maar wel met onze schoenen aan, waren wij door het raam naar buiten gegaan, met onze zaklantaarns in de hand. Het schoolgebouw stond op een helling, er was een pad naar beneden, dat ook weer op liep naar een rijtje chique villa's. Ook de jongens van de C3 gingen mee. “Volg mij, en met je lantaarn alleen naar beneden schijnen, als het moet,” verordonneerde Fritzie. Geruisloos volgden wij hem. Aangekomen bij de villa's deden wij de lantaarns uit. Bij veel huizen brandde nog licht. Het was Paaszondagavond.

Fritzie liep naar voren en gebaarde dat wij doodstil moesten zijn. Bij de eerst aangekomen villa belde hij aan. Wij hielden onze adem in. De deur werd opengedaan door een man, keurig gekleed, met een glas in zijn hand, een beetje waterig keek hij naar buiten, waar hij 25 jongens in pyjama's zag staan, die met grote ogen naar hem opkeken. Hij stamelde: “Ja, wat is er?” Hij snapte er niets van. “Heeft u nog oude kranten, meneer? Voor de blinden, weet u wel, die zamelen wij in,” vroeg Fritzie op zijn platamsterdams. In commando draaiden wij ons om en binnen enkele ogenblikken waren wij weer in onze slaapvertrekken. Ramen dicht. Schoenen uit, en slapen! Van dat slapen kwam weinig terecht, want de hele nacht hadden wij de slappe lach, tot bij het ontbijt. “Wat is er toch met jullie?” vroeg mijn broer later die maandag, hij snapte er niets van. Ik heb het hem niet verteld, en de finale verloren wij, van de Limburgers, de Montinjards geloof ik.

Ik moet nog vaak aan die man denken. Wij deden echt iets geks, maar hem overkwam iets absurds, in zijn mooie straatje met dure villa's', staan daar ineens 25 pubers in pyjama's voor de deur om te vragen naar oude kranten, om half elf 's avonds.

“Zeg Wilbert, wat is dat nu, wie belde er aan?” vroeg zijn vrouw vanuit de huiskamer.
“Tja, een groep jongens, uit Amsterdam, denk ik, in pyjama. Ze vroegen om oude kranten.”
“Zeg Wilbert, dat geloof je toch zelf niet! Volgens mij heb je een drankje te veel op,” bitste zijn vrouw. Wilbert schudde zijn hoofd, ging niet in op wat zijn vrouw zei.
“Ik zal morgen naar de opticien gaan, lieve, ik zag het niet zo goed, denk ik.” Mompelend ging hij de trap op naar de slaapkamer.
“Heeft u nog oude kranten, heeft u nog oude kranten, heeft u nog oude kranten?” bleef hij herhalen, urenlang.

Fa. J. Buitenhuis & Zn.
Elsa’s Café
Primera
Sleutelcentrum
Ton Hagedoorn